29 september 2017
Landelijk congres Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten
Nieuwe Buitensociëteit Zwolle

Research tracks

In de research tracks presenteren 4 onderzoekers per sessie de resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek. 

Research track 1  

RT1.1 
Beperkingen in het werkgerelateerd functioneren van SOLK: schatten artsen uit verschillende disciplines dit hetzelfde in?
K.H.N. Weerdesteijn, F.G. Schaafsma, A.J. van der Beek, J.R. Anema
VUmc / KCVG, Amsterdam

Doel/inleiding
Verzekeringsartsen zetten bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en andere artsen voor hun beleid en advies de medische bevindingen om naar functionele mogelijkheden en beperkingen. Probleem bij SOLK is dat de medische bevindingen niet goed te objectiveren zijn en de overeen/afstemming tussen artsen hierdoor niet optimaal is. Het doel van deze studie was consensus te bereiken tussen verschillende artsen in de mate van beperkingen bij mensen met SOLK.
Methode
In een gemodificeerde Delphi studie werd aan 15 verschillende artsen gevraagd om in 3 rondes tot consensus te komen betreft de mate van beperkingen voor 78 onderdelen in het functioneren t.a.v. werk voor 4 SOLK casussen. De casussen betroffen klachten van het hoofd, de nek en armen, de rug en benen en de buik.
Resultaten
Na alle rondes was er consensus over de mate van beperkingen op 49 van de 78 onderdelen voor alle 4 de casussen (63%). De mate van beperkingen wisselden tussen de 4 casussen. De beperkingen bevonden zich op de gebieden van persoonlijk en sociaal functioneren, dynamisch handelen, statische houdingen, aanpassen van omgevingsfactoren en werktijden. Voor 2 onderdelen op het gebied van werktijden was er geen overeenstemming.
Conclusie
De resultaten laten zien dat verschillende artsen voor een groot deel de beperkingen van het functioneren van mensen met SOLK op een zelfde manier beoordelen en inschatten. De onderdelen waarin overeenstemming werd bereikt kunnen gebruikt worden om de functionele mogelijkheden en beperkingen beter op elkaar af te stemmen, waardoor de samenwerking tussen artsen bevorderd kan worden.
Referentie
Weerdesteijn KH, Schaafsma FG, van der Beek AJ, Anema JR. Limitations to work-related functioning of people with persistent "medically unexplained” physical symptoms: a modified Delphi study among physicians. Journal of Occupational Rehabilitation 2016; 10.1007/s10926-016-9674-x.

RT1.2 Het effect van compassietraining bij patiënten met somatisch-symptoomstoornis: een ‘multiple baseline case series experimental design'
M. Said1, S.A.M. van Broeckhuysen-Kloth1, S. Thorsell1, R. Scholten1, R. Geenen2
1Altrecht, Zeist
2Universiteit Utrecht, Utrecht  

Inleiding
Bij veel patiënten met somatisch-symptoomstoornis is er sprake van weinig zelfcompassie. Zelfcompassie bestaat uit ‘zelfvriendelijkheid’, ‘medemenselijkheid’ en ‘mindfulness’. Waar mindfulness interventies zijn gericht op het aanvaarden van ervaringen, is compassietraining ook gericht op het aanvaarden van jezelf.
Doel
Dit "proof-of-principle” onderzoek had tot doel om vast te stellen of compassietraining een toegevoegde waarde heeft in de behandeling van patiënten met een somatisch-symptoomstoornis en lage zelfcompassie.
Methode
In een "multiple baseline case series experimental design”, namen acht patiënten (7 vrouwen en 1 man) deel aan een compassietraining. één patiënt viel halverwege de training uit. De evaluatie bestond uit dagboekmetingen en vragenlijsten. In dagboeken werden in vier fasen van 28 dagen (baseline, therapie deel 1, therapie deel 2 en follow-up) op een schaal van 0-100 vijf uitkomsten gemeten: stressniveau, twee aspecten van zelfcompassie en twee door de patiënt zelf gekozen doelen. Daarnaast vulden de patiënten op vier meetmomenten vragenlijsten in: vóór de baselineperiode, bij het begin en einde van therapie en na de follow-up.
Resultaten
De dagboekmetingen lieten verbeteringen zien voor 4 van de 7 deelnemers; vooral op zelfcompassie (tabel 1). Ook op de vragenlijsten was de verbetering op zelfcompassie het grootst; er waren geen tot kleine verbeteringen in experiëntiële vermijding, psychopathologie, lichamelijke klachten, fysiek en mentaal functioneren (tabel 2).
Discussie/conclusie
Het onderzoek laat zien dat na compassietraining bij een gedeelte van mensen met somatisch-symptoomstoornis de zelfcompassie hoger is. De gevolgen voor meer generieke maten van klachten en functioneren lijken geringer. Verder onderzoek kan uitwijzen welke patiënten met name profiteren.
Referenties
Dewsaran-van der Ven, C., van Broeckhuysen–Kloth, S., Thorsell, S., Scholten, R., De Gucht, V., & Geenen, R. (2017). Self-compassion in somatoform disorder. Manuscript submitted for publication.Neff, K. D. & Germer, C. K. (2012). A pilot study and randomized controlled trial of the Mindful Self-Compassion program. Journal of Clinical Psychology, 69, 28-44.Van den Brink, E. & Koster, F. (2015). Mindfulness-based compassionate living. A new training programme to deepen mindfulness with heartfulness. Routledge. 

RT1.3 
SOLK consulten: waar zitten volgens patiënten de problemen?


J. Houwen1, P.L.B.J. Lucassen1, H.W. Stappers1, W.J.J. van Assendelft1, S. van Dulmen1,2,3, T.C. Olde Hartman1
1a Radboudumc, afdeling Eerstelijnsgeneeskunde, Nijmegen
2b NIVEL, afdeling Communicatie in de Gezondheidszorg, Utrecht
3c Faculty of Health Sciences, University College of Southeast Norway, Drammen

Inleiding
Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) zijn klachten die niet kunnen worden verklaard vanuit een ziekte. Huisartsen vinden consulten met patiënten met SOLK vaak lastig en patiënten zijn vaak niet tevreden met de zorg die ze van hun huisarts krijgen.
Doel
Welke problemen ervaren SOLK patiënten in consulten?
Methode
Bij 20 huisartsen filmden we gedurende 1 tot 2 dagen alle consulten. Patiënten gaven vooraf toestemming voor deelname. Na ieder consult gaf de huisarts op een registratieformulier aan of er sprake was van SOLK. SOLK patiënten werden benaderd om samen met de onderzoeker naar het opgenomen consult te kijken en middels open vragen van de onderzoeker commentaar te geven op het consult. Deze reflectie van patiënten namen we op op audiotape. We selecteerden het commentaar waar patiënten problemen signaleerden in het consult.
Analyse
Met behulp van de constante vergelijkende methode codeerden 2 onderzoekers onafhankelijk van elkaar het deel van de transcripten waar patiënten problemen signaleerden. Na het coderen van deze reflecties identificeerden we thema’s. Met deze thema’s codeerde één onderzoeker de reflecties nogmaals.
Resultaten
In totaal benaderden we 506 patiënten om het consult te filmen, hiervan gingen er 390 akkoord. Bij 43 patiënten was er volgens de huisarts sprake van SOLK, waarvan er 39 bereid waren om te reflecteren op het opgenomen consult. Hiervan signaleerden 22 patiënten problemen tijdens het consult. We vonden 6 belangrijke thema’s, de huisarts (1) heeft een andere agenda in het consult dan die van de patiënt, (2) wekt een onplezierig gevoel op bij de patiënt (3) biedt geen specifiek plan in het consult, (4) heeft het consult onvoldoende voorbereid, (5) heeft vooroordelen over de patiënt (6) erkent zijn/haar beperkt begrip over de oorzaak van klachten niet.
Discussie
Huisartsen krijgen met dit onderzoek meer inzicht waar patiënten problemen ervaren in het consult. Huisartsen moeten zich bewust zijn van deze problemen en daar actief op acteren. Zij zullen veel aandacht moeten besteden aan hun houding en oordelen aangezien deze belemmerend werken bij SOLK consulten. 

RT1.4 Bepalen veranderingen in ziektecognities, lichamelijke activiteit en gedragsregulatie vermoeidheid en andere gezondheidsconsequenties bij CVS patiënten?
V.M.J. de Gucht, F.K. Garcia, M. den Engelsman, S. Maes
Universiteit Leiden, Leiden 

Inleiding
Theoretische modellen beklemtonen de rol van cognities en gedrag in het in stand houden van CVS. Tot op heden is echter onbekend of beide even belangrijk zijn voor het natuurlijk verloop van CVS.
Doel
Onderzoeken in welke mate veranderingen in ziektecognities, lichamelijke activiteit en gedragsregulatie (alles-of-niets gedrag en limiterend gedrag) de ernst van de vermoeidheid, lichamelijke klachten en lichamelijk en psychologisch functioneren bepalen bij CVS patiënten.
Methode
Deze studie is een longitudinale studie. 144 Nederlandse CVS patiënten participeerden in de studie bij de baseline (T1) en de follow-up (T2) 12 maanden later. Door middel van hiërarchische regressieanalyses werd bepaald of veranderingen in de genoemde determinanten bijdragen tot vernoemde afhankelijke variabelen.
Resultaten
Een toename van verwachte consequenties en klachten omwille van de ziekte en een toename van alles-of-niets gedrag zijn duidelijk geassocieerd met de ernst van de vermoeidheid op T2. Het aantal en de ernst van gerapporteerde lichamelijke klachten op T2 wordt vooral verklaard door veranderingen in verwachte consequenties en verwachte tijdsduur van de ziekte. Psychologisch functioneren wordt verklaard door veranderingen in verwachte consequenties en lichamelijk functioneren door veranderingen in ziektecognities, alles-of-niets gedrag en limiterend gedrag. Veranderingen in lichamelijke activiteit dragen tot geen enkele outcome variabele bij.
Discussie/conclusie
Zowel veranderingen in ziektecognities als gedragsregulatie blijken bij te dragen tot belangrijke outcome variabelen, maar veranderingen in ziektecognities dragen bij tot alle variabelen en veranderingen in gedragsregulatie enkel tot fysieke variabelen (vermoeidheid en lichamelijk functioneren). Deze resultaten laten suggesties toe voor de behandeling van CVS patiënten (bv. dmv CBT of GET).

Research track 2 

RT2.1 
Het effect van visuele feedback van de nek bij mensen met chronische traumagerelateerd nekpijn
S.M. Don, M. de Kooning, L. Voogt, K. Ickmans, L. Daenen, J. Nijs
Vrije Universiteit Brussel, Brussel, Belgium  

Inleiding
Chronische whiplash-associated disorder (WAD) wordt geassocieerd met een verscheidenheid aan lichamelijke klachten en beperkingen. Sensorimotorische incongruentie (SMI) wordt in de literatuur aangeduid als een mogelijk onderliggend mechanisme voor deze aanhoudende klachten. SMI wordt gedefinieerd als een mismatch tussen de verwachten sensorische afferentie gebaseerd op de motorische planning en werkelijke afferente sensorische feedback.
Doel
Wat is het effect van SMI op pijn en andere sensaties bij mensen met chronische WAD en gezonde controles?
Methoden
In totaal 30 deelnemers met chronische WAD en 34 gezonde controles namen deel aan een experiment waarin visuele feedback van de nek werd getoond alsook een tweede experiment waarin visuele feedback van de armen werd getoond. In beide experimentele opstellingen, werd SMI geïnduceerd door het wijzigen van de visuele feedback tijdens beweging. Sensaties en pijn waren de primaire uitkomstmaten.
Resultaten
Visuele feedback had een significant effect op sensaties (p <0,0001). De intensiteit van de sensaties was het hoogst gedurende de conditie met de hoogste mate van het conflict tussen visus en propriocepsis. Dit gold echter alleen voor visuele feedback van de nek en niet voor visuele feedback van de armen. Visuele feedback had geen effect op sensaties in de controlegroep en geen effect op pijn in beide groepen.
Discussie/conclusie
Mensen met chronische WAD zijn gevoeliger voor het optreden voor allerlei sensaties als gevolg van SMI. Interessant is dat dit effect specifiek geldt voor de regio van de nek, waar de meeste klachten zich representeren. De hypothese dat SMI een oorzaak is voor aanhoudende pijnklachten bij mensen met WAD wordt niet ondersteund.   

RT2.2 
Pain-catastrophizing is associated with sleep quality in patients with chronic pain indicated for multidisciplinary treatment
A. de Rooij1, M. van der Leeden1, L.D. Roorda1, J. Dekker2
1 Reade, Amsterdam
2 VUmc, Amsterdam 

Background
Reduced sleep quality is a major concern in patients with chronic widespread pain (CWP). Currently the focus of multidisciplinary pain rehabilitation in CWP is usually on cognitive and behavioral components of pain and disability, instead of sleep (Köke A. et al 2005). Little is known about which clinical, emotional and cognitive factors are related to sleep quality in patients with CWP, who are indicated for multidisciplinary treatment.
Purpose
To explore the associations between clinical, cognitive and emotional factors and quality of sleep in patients with CWP, who are indicated for multidisciplinary treatment.
Method
Data were used from baseline measurements of a prospective cohort study of 129 CWP patients. Backward stepwise regression models were used to assess whether clinical (i.e. pain, fatigue, pain interference and pain related disability), emotional (i.e. anxiety, depression and psychological distress) and cognitive factors (i.e. illness, self-efficacy and fear-avoidance beliefs and general acceptance) were associated with quality of sleep in patients with CWP. All analyses were adjusted for age and gender.
Results
Reduced sleep quality was significantly associated with higher pain catastrophizing. In contrast, other clinical, emotional and cognitive factors did not predict sleep quality in patients with CWP.
Conclusion
In CWP patients, more pain catastrophizing thoughts seem to be related to reduced sleep quality. Our results suggest that tailoring treatment to reduce pain catastrophizing might also improve sleep. Further our results suggest that targeting sleep in multidisciplinary pain treatment may require specific strategies. 
Reference
- Köke A. et al. Consensus Report Pain Rehabilitation. The Netherlands; 2005   

RT2.3 
Type symptomen, interventie en combinatie: voorspellers van behandelresultaat van een protocollaire behandeling van de functioneel-neurologische-symptoomstoornis
E.J.H.M. Spronck1, M. Tibben1, M. Merkx1, M. Vermeulen2, C.A.L. Hoogduin1
1 HSK Groep, Woerden
2 Universiteit van Amsterdam, Amsterdam

Inleiding
In een gecontroleerde studie van Moene, Spinhoven, Hoogduin en van Dyck (2003) werd aangetoond dat 80% van de FNSS patiënten relevant verbeterde na een gestandaardiseerde behandeling op basis van hypnose in combinatie met shaping. Recente studies (Ruddy & House, 2005; Hallet et al, 2006; McCormack et al., 2014 & Gelauff et al., 2014) trekken deze resultaten in twijfel en stellen dat behandeling in 44-90% relevante verbetering oplevert en noemen daarbij een aantal negatief prognostische factoren. Zij onderscheiden hierin onder andere motorische symptomen als het voorkomen van dystonie en tremoren maar noemen ook type interventie als bepalend.
Doel
In dit retrospectief onderzoek wordt onderzocht in hoeverre type symptomen, type interventie van de protocollaire behandeling en welke combinatie voorspellend zijn voor het behandelresultaat.
Methode
In een mixed subject design is de verschilscore tussen voor en nameting de afhankelijke variabele en het type FNSS de onafhankelijke variabele. Als mogelijke confounders zijn type interventie en voorkomen van dystonie te identificeren.
Resultaten
Descriptieve data laten zien dat protocollaire behandeling voor relevante verbetering zorgt en dat er een relatie lijkt te bestaan tussen type FNSS, interventie en het behandelresultaat. Verdere analyse volgt waarbij eerste resultaten van analyse zullen worden gepresenteerd en na verdere analyse ter publicatie zullen worden aangeboden.
Discussie
De bewijskracht van dit retrospectief onderzoek is gering. Gerandomiseerd gecontroleerd vervolgonderzoek is daarom gewenst om prognostische factoren te onderscheiden in relatie tot type interventie om een meest optimale symptoom-interventie-match vast te stellen en tot gepersonaliseerde behandeling te komen. Vergelijking met andere interventies wordt aanbevolen.
Referenties
Gelauff J, Stone J, Edwards M. & Carson, A. (2014). The prognosis of functional (psychogenic) motor symptoms: a systematic review. Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 85, 220-226.Hallett, M., Cloninger, C.R., Fahn, S., Jankovic, J. & Lang, A.E. (Eds.). Psychogenic movement disorders: neurology and neuropsychiatry. Philadelphia: Lippincott, Williams & Wilkins; 2006.McCormack, R., Moriarty, J., Mellers, J.D., Shotbolt, P., Pastena, R., Landes N., Goldstein, L., Fleminger, S. & David, A.S. (2014). Specialist inpatient treatment for severe motor conversion disorder: a retrospective comparative study. Journal of Neurology, Neurosurgery & Psychiatry, 85: 893-898.Moene, F., Spinhoven, P., Hoogduin, K.A.L. & van Dyck, R. (2003). A randomized controlled clinical trial of a hypnosis-based treatment for patients with conversion disorder, motor type. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis,51(1): 29-50.  

RT2.4
Onverklaarde pijnklachten bij jongeren, wat is er aan de hand?
I.E. Visser, E. de Haan
De Bascule, Amsterdam  

Inleiding
Tot op heden is er weinig inzicht in factoren die een verklaring zijn voor somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijk klachten (SOLK). Verondersteld wordt dat de manier waarop met (normale) pijnprikkels wordt omgegaan een rol speelt (Walker, 1997; Van der Veek, 2017). Kinderen met SOLK zouden een passieve copingstijl hebben. Een andere veronderstelling is dat lichamelijke klachten voortkomen uit het niet verdragen van negatieve ervaringen: experiëntiële vermijding. In deze studie willen we onderzoeken of deze factoren inderdaad een rol spelen bij jongeren met SOLK.
Doelstelling
Onderzoeken of er een relatie is tussen passieve coping met pijnprikkels en of experiëntiële vermijding en SOLK bij jongeren. Kennis hierover kan mogelijk leiden tot een meer specifieke behandeling.
Vraagstellingen
Hebben jongeren met SOLK vergeleken met jongeren zonder SOLK passieve coping met pijnprikkels?Hebben jongeren met SOLK meer experiëntiële vermijding in vergelijking met jongeren zonder SOLK.
Methode
Het onderzoek is gecontroleerd, cross-sectioneel, met één meetmoment. De groepen bestaan uit 20 jongeren van 12-18 jaar. De SOLKgroep is verwezen naar de Bascule. De controlegroep bestaat uit middelbareschool leerlingen. De groepen worden gematched op leeftijd en geslacht.
Meetinstrumenten
Children’s Somatisation Inventory (Ghys & Meesters, 2003)Pain Response Inventory (Walker et al, 1997)Acceptance and Action Questionnaire-II (Jacobs, et al, 2008)
Statistische analyses
De twee groepen worden vergeleken op de coping en experiëntiële vermijding, middels nietgepaarde t-tests (SPSS).
Resultaten
De gegevens worden de komende tijd verwerkt.
Referenties
Jacobs, N., Kleen, M., De Groot, F., & A-Tjak, J. (2008). Het meten van experiëntiële vermijding: De Nederlandstalige versie van de Acceptance and Action Questionnaire-II (AAQ-II) [Measuring experiential avoidance: The Dutch version of the Acceptance and Action Questionnaire]. Gedragstherapie, 41, 349-361.Van der Veek, S.M.C., De Haan, E., Derkx, H.H.F., Benninga, M.A. (2017), The well-being of children with functional abdominal pain: Relations with factors addressed in psychological therapies, in press.Walker, L.S., Freeman, K.E., Garber, J. & Smith, C.A. (2008). A typology of pain coping strategies in pediatric patients with chronic abdominal pain. Pain, 137, 266-275.Walker, L.S., Smith, C.A., Garber, J., & VanSlyke, D.A. (1997). Development and validation of the pain response inventory for children. Psychological Assessment, 9, 392-405.Meesters, C., Muris, P., Ghys, A., Reumerman, T., & Rooijmans, M. (2003). The Children’s Somatization Inventory: Further Evidence for Its Reliability and Validity in a Pediatric and a Community Sample of Dutch Children and Adolescents. Journal of Pediatric Psychology, 28, 413-422. Hannah van der Linde is medepresentator.