arrow_rightarrow_righticon_excelicon_pficon_ppticon_wordmagnifier

Programma

vrijdag 04 okt

Landelijk Congres Onvoldoende Verklaarde Lichamelijke Klachten

Klik op om meer informatie te bekijken van een sessie. 

08:45

Ontvangst & registratie

09:30

Welkom

voorzitter NOLK

09:40

Keynote 1: Het Emotionele DNA: Hoe gevoelens ons DNA bespelen

Pierre Capel

Wanneer we het over onze gevoelens hebben, kunnen we ze meestal precies omschrijven. Maar hoe ze ontstaan, waar ze vandaan komen en, nog belangrijker, wat ze allemaal met ons doen, weten we vaak niet. Het wordt echter steeds duidelijker dat gevoelens verbonden zijn aan keiharde biochemie.

Gevoelens en emoties worden in het limbische systeem van onze hersenen gevormd en vandaaruit sturen ze vele lichaamsfuncties aan. Dat men bij gevaar adrenaline vormt is alom bekend, maar het gaat veel verder. Ieder gevoel werkt direct in op ons DNA. Het blijkt nu dat psychologische stress honderden genen op ons DNA aan- of uitschakelen. Hierdoor veranderen veel lichaamsfuncties en dit heeft een directe invloed op het ontstaan en verloop van ziekten en is ook bepalend voor de gezondheid en zelfs voor onze levensduur.

Het blijkt dat psychische, of sociaal economische klachten op dezelfde manier een ontstekingsreactie kunnen starten als virussen of bacteriën.  Hierdoor worden velen, met de diagnose “tussen de oren”, het bos in gestuurd terwijl het een gewone chronische ontsteking is met alle daarbij behorende malaise zoals onder andere vermoeidheid en pijn.  Dat werkdruk, stress en lifestyle via veranderde gen expressie op het DNA, een directe biochemische link hebben met het ontstaan van een breed scala aan concrete ziekten is helaas te weinig bekend. Omdat in de huidige geneeskunde alles zoveel mogelijk meetbaar moet zijn en geprotocolleerd wordt, vallen gevoelens snel buiten de boot omdat ze niet in maat en getal zijn uit te drukken. Hierdoor wordt vaak de psychologische oorzaak van veel huidige aandoeningen onderschat of zelfs ontkend. Dit heeft als resultaat dat veel concrete aandoeningen ofwel niet als ziekte worden erkend, of als onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten worden afgedaan.

In de presentatie wordt ingegaan op de biochemische werking van positieve en negatieve gevoelens op gezondheid en levensduur.

10:35

Pauze

Workshopronde 1 (11:05-12:05)

11:05

WS 1.1 - Richtlijn SOLK bij kinderen; van Wetenschap naar Spreekkamer

Dorien Broekhuijsen-van Henten en Gert Luitse

Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten bij kinderen komen veel voor. De beperkingen en gevolgen van SOLK worden veelal onderschat en zijn vergelijkbaar met chronisch somatische aandoeningen. Matig ernstige SOLK leiden vaak tot schoolverzuim en aanzienlijke kosten voor de gezondheidszorg. Ook bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van een angststoornis of depressie.

Voor artsen zijn SOLK vaak complex en worden in de omgang met patiënten hoge eisen gesteld aan hun vaardigheden op het gebied van communiceren, exploreren, klinisch redeneren, omgaan met diagnostische onzekerheid, uitleg en samenwerken.

In 2019 komt er een Richtlijn SOLK bij kinderen uit (Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde). Het doel hiervan is SOLK sneller te herkennen, te erkennen en behandeling in te zetten zonder een te lang diagnostisch traject. De richtlijn dient om het diagnostisch proces en behandelproces te ondersteunen.

Tijdens de workshop zal aandacht worden besteed aan de stapsgewijze aanpak bij SOLK zoals in de richtlijn beschreven. Verder komen verschillende verklaringsmodellen aan de orde en het gebruik van het biopsychosociale model en de vicieuze cirkel zoals die door de arts in de spreekkamer kunnen worden ingezet om SOLK uit te leggen aan kind en ouders.

Relevante literatuur
NVK richtlijn SOLK: https://www.nvk.nl/Kwaliteit/Richtlijnen-overzicht

Gegevens workshopleiders
Dorien Broekhuijsen-van Henten, kinderarts sociale pediatrie Isala Zwollle. Projectleider NVK richtlijn SOLK bij kinderen
Gert Luitse, kinderarts sociale pediatrie Isala Zwolle. Lid kerngroep NVK richtlijn SOLK bij kinderen

 

11:05

WS 1.2 - SOLK steeds beter in beeld: verklaringsmodellen en metaforen

Carine den Boer en Tim olde Hartman

Deze workshop is bedoeld voor zorgverleners die al ervaring hebben met uitleg geven aan mensen met SOLK, omdat we in de workshop ervaringen willen delen.

Mensen met SOLK maar ook hun zorgverleners willen graag een verklaring voor het ontstaan en blijven bestaan van de klachten. De zorgstandaarden, informatie op websites en in boeken kunnen gebruikt worden om uit te leggen wat SOLK is. In de zorgstandaard SOLK worden een tiental verklaringsmodellen genoemd, aangevuld met niet-westerse verklaringsmodellen, voor het ontstaan en blijven bestaan van klachten. Er zijn ook een groot aantal metaforen die gebruikt kunnen worden. Beiden kunnen gebruikt worden om uit te leggen hoe klachten kunnen persisteren bij afwezigheid van ziekte en dat het zinvoller is om aan verbetering van de klachten te werken dan aan het doorzoeken naar een (zeldzame) ziekte.

De zorgstandaard stelt dat het belangrijk is dat als er verschillende zorgverleners bij een patiënt betrokken zijn deze dezelfde eenduidige taal spreken. Met zoveel verschillende verklaringsmodellen en metaforen is dat soms moeilijk. Bovendien is het van belang om aan te sluiten op eigen verklaringen en context van de patiënt om persoonsgerichte zorg te geven.

Daarnaast is er nog veel behoefte aan uitbreiding van niet-westerse verklaringsmodellen en metaforen. Hoe kun je aansluiten bij klachten van mensen met een hele andere culturele achtergrond en ander lichaamsbeeld, waarbij soms ook nog sprake is van een taboe op psychische klachten.
In deze interactieve workshop gaan we aan de slag met de beschikbare verklaringsmodellen en metaforen. Na een hele korte presentatie van veel gebruikte verklaringsmodellen en metaforen gaan we aan het werk in kleine multidisciplinaire groepjes. Hierbij zullen we stellingen en creatieve werkvormen gebruiken.  Wat gaat er al goed en moeten we vooral behouden en aanleren aan andere zorgverleners. Wat kan er nog verbeterd worden en in welke richting kunnen we oplossingen vinden.

Relevante literatuur
-Olde Hartman TC, Blankenstein AH, Molenaar AO, Bentz van den Berg D, Van der Horst HE, Arnold IA, et al. NHG-Standaard Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijk Klachten (SOLK). Huisarts Wet 2013, 5:222-30
-Zorgstandaard SOLK: https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/somatisch-onvoldoende-verklaarde-lichamelijke-klachten-solk
-Van der Horst HE, e.a. (2017). Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (1e ed). Houten: Bohn Stafleu van Loghum
-Spaans J, e.a (2017). Handboek behandeling van somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (1e ed). Nederland: Lannoo Campus

Gegevens workshopleiders
Carine den Boer, huisarts, kaderarts GGZ, promovendus Amsterdam UMC, locatie VUmc
Projectgroeplid zorgstandaard SOLK
Promotieonderzoek naar de rol van centrale sensitisatie bij SOLK

Dr. Tim olde Hartman, huisarts, senior-onderzoeker Radboud UMC
Onderzoeksgebied SOLK
Eerste auteur NHG-Standaard SOLK

 

11:05

WS 1.3 - Behandeling van functionele bewegingsstoornissen

Marleen Tibben en Judith Schaap

De conversiestoornis is een psychische stoornis die wordt gekenmerkt door verstoringen van de motorische of sensorische functies. De meest voorkomende conversiesymptomen zijn verlamming, ongecontroleerde bewegingen, verkrampingen, blindheid, gevoelloosheid en pseudo-epileptische aanvallen. Patiënten met dit soort klachten worden vaak als lastig en moeilijk beschouwd. Hulpverleners weten zich meestal geen raad met deze patiëntenpopulatie. In deze workshop wordt u geschoold in de behandeling van conversiestoornissen bij zowel kinderen als volwassenen door middel van hypnose, katalepsie-inductie en shaping-technieken aan de hand van het verschenen protocol voor conversiestoornissen (Hoogduin et al., 2017). Tijdens de workshop worden er diverse dvd-fragmenten getoond en tenslotte zult u zelf de katalepsie-inductie mogen ervaren. Na het bijwonen van deze workshop bent u in staat om een conversiestoornis eerder te herkennen en zult u deze patiëntenpopulatie met andere ogen gaan bekijken.

Relevante Literatuur
-Hoogduin, C.A.L., Kleine, R.A. de, Minnen, A. van, Tibben, M.I., Stormink, C., Andeweg, E.A. & Roggeveen, P. (2017). Protocollaire behandeling van patiënten met een conversiestoornis (functioneel neurologisch symptoomstoornis). In: G.P.J. Keijsers, A. van Minnen, C.A.L. Hoogduin, P. Emmelkamp & M.J.P.M. Verbraak (red.), Protocollaire behandelingen voor volwassenen met psychische klachten. Amsterdam: Boom.
-Kihlström, J. F. (1992). Dissociative and conversion disorders. In: D.J. Stein & Y.E. Young (red.), Cognitive science and clinical disorders (pp. 247-270). San Diego: Academic Press.
-Ruddy, R. & House, A. (2005). Psychosocial interventions for conversion disorder. Cochrane Database of Systematic Reviews, 4, Art.no. CD005331.

Gegevens workshopleiders
Drs. Marleen Tibben, GZ Psycholoog/Cognitief Gedragstherapeut VGCt
Manager Expertisecentrum Conversiestoornissen, Ticstoornissen en andere motorische stoornissen
Werkzaam bij de HSK Groep en lid van de Medische Advies Raad van de Dystonievereniging

Judith Schaap,  Student Radboud Universiteit Nijmegen
Verbonden als onderzoeker aan HSK Expertisecentrum Conversiestoornissen

 

11:05

WS 1.4 - Succesvol implementeren van interventies voor SOLK in theorie en praktijk

Denise Hanssen

In de afgelopen jaren zijn er steeds meer behandelingen ontwikkeld voor patiënten met Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK), zoals cognitieve gedragstherapie en psychosomatische oefentherapie. Hoewel meerdere van deze behandelingen in wetenschappelijk onderzoek effectief gebleken zijn, is implementatie van deze behandelingen in de praktijk een uitdaging. Dat betekent dat patiënten met SOLK in de praktijk niet altijd de beste behandeling krijgen voor hun klachten.
Het overwinnen van hobbels bij het implementeren van interventies voor SOLK kan daarom bijdragen aan een betere toegang tot evidence-based behandelingen voor patiënten met SOLK. Een hoger implementatiesucces is niet alleen nodig vanwege de verlaagde kwaliteit van leven die patiënten met SOLK ervaren, maar ook voor hulpverleners die in de praktijk vaak handvatten missen om patiënten met SOLK succesvol te behandelen.
In deze workshop vragen we ons daarom af: Hoe kan het dat implementatie van interventies voor SOLK in de praktijk zo moeilijk verloopt, terwijl deze interventies zo hard nodig zijn?

In deze interactieve workshop krijgt u meer zicht op de theorie en de praktijk van het (succesvol) implementeren van SOLK interventies in de eerste en tweede lijn. Allereerst leert u meer over de meest recente wetenschappelijke inzichten over implementatie van SOLK interventies. Vervolgens gaat u nadenken over hoe deze bevindingen relevant zijn voor uw dagelijks praktijk. Door middel van discussie en interactieve werkvormen staan we stil bij vragen als: Welke hobbels herkent u in uw dagelijkse beroepspraktijk? Hoe kunnen deze overwonnen worden? Aan het einde van de workshop heeft u ideeën over welke veranderingen zouden kunnen bijdragen aan een verhoging van het implementatiesucces van interventies voor SOLK in uw eigen dagelijkse praktijk.

Relevante Literatuur
Wensing, M. J. P., & Grol, R. P. T. M. (2017). Implementatie: Effectieve verbetering van de patiëntenzorg. Bohn Stafleu van Loghum.

Gegevens workshopleider
Dr. Denise Hanssen, GZ-psycholoog
Poli Soma en Psyche, afdeling Psychiatrie, Universitair Medisch Centrum Groningen
Projectcoördinator ontwikkeling en implementatie Grip (www.gripopklachten.nl)

Denise Hanssen is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, waar zij onderzoek doet naar uitdagingen bij het implementeren van interventies voor SOLK in de dagelijkse beroepspraktijk. Ook is zij daar werkzaam als GZ-psycholoog op de poli Soma en Psyche van het Universitair Centrum Psychiatrie.

 

11:05

WS 1.5 - Biofeedback bij SOLK en somatoforme stoornissen

Daniëlle Matto

Stress management; verbetering van het vermogen om te ontspannen en het geven van inzicht in de invloed van gedachten, gevoelens en gedrag op het lichaam, zijn belangrijke onderdelen van de begeleiding van patiënten met SOLK en somatisch-symptoomstoornissen. Patiënten krijgen in de regel bewegings-en ontspanningsoefeningen in combinatie met cognitieve gedragstherapie. De inzet van biofeedback vormt een  aanvulling op de gangbare behandelingen  kan de patiënt helpen bij het proces van bewustwording van lichamelijke spanning en bij het leren oproepen van de ontspanningsrespons .

Biofeedback is een techniek waarbij sensoren lichaamssignalen in beeld brengen, zoals spierspanning, ademhaling, hartslag en de temperatuur /vochtigheid van de hand. Als assessment methode laat biofeedback zien of er sprake is van een basaal verhoogde sympathische activatie, wat de psychofysiologische reactie op stress is en of er na stress in voldoende mate herstel optreedt. Als trainingsmethode biedt biofeedback de patiënt een tool om op directe en dynamische wijze teruggekoppeld te krijgen welke psychofysiologische veranderingen er optreden in relatie tot gedachten, gevoelens en gedrag. Dat versterkt de bewustwording van de psychofysiologische stress respons en daarmee het vermogen tot interne zelfregulatie. Biofeedback kan op deze wijze bijdragen aan de zelfmanagement  van patiënten met SOLK of somatisch-symptoom stoornis.

Er zijn diverse wetenschappelijke onderzoeken die de meerwaarde van biofeedback bij SOLK en somatisch-symptoomstoornissen laten zien.

De workshop start met uitleg van de basisprincipes van biofeedback en een demonstratie van biofeedback in de vorm van een meting bij één van de deelnemers. Gemeten wordt de spierspanning in de schouders, ademhaling, hartslag, huidgeleiding en handtemperatuur tijdens een kort assessment met 4 condities (baseline, stress, ontspanning en een ademoefening). Op deze manier wordt zichtbaar hoe in korte tijd veel informatie  over de psychofysiologische toestand verzameld kan worden. Daarna worden de onderzoeken van Katsamamis e.a. (2011) en van Rief en Nanke (2014) besproken met specifieke aandacht voor de toegepaste biofeedback training technieken, waaronder een korte film met een demonstratie van een spierspanning-bewustwording training. Als deelnemer aan deze workshop krijgt u een indruk van de mogelijkheden van biofeedback als assessment methode en als trainingsmethode.

Relevante literatuur
-Katsamamis, Lehrer, et al (2011). Psychophysiologic Treatment for Patients With Medically Unexplained Symptoms: A Randomized Controlled Trial. Psychosomatics. 2011 ; 52(3): 218–229
-Rief, W. & Nanke, A. (2014). Biofeedback-based interventions in somatoform disorders: a randomized controlled trial. Acta neuropsychiatrica Published online: 24 June 2014, 249-256

Gegevens workshopleider
mevr. Drs. D. (Daniëlle) M. Matto, GZ-psycholoog en biofeedbacktherapeut (BCIA BCB-HRV). Daniëlle werkt vanuit een holistische visie en heeft meer dan 15 jaar ervaring als psycholoog in de basis GGZ. Naast haar klinische werk geeft zij opleiding in biofeedback en toepassingen van biofeedback aan psychologen en fysiotherapeuten. Meer informatie over Daniëlle is te vinden op haar website www.krachtdoorbalans.nl en op de opleidingswebsite www.biofeedbackworkshops.eu

 

11:05

WS 1.6 - Patiënten met een therapieresistente conversiestoornis: Is er nog beweging mogelijk?

Mirte Hulscher-Ruks en Lineke Tak

Conversiestoornis (functioneel-neurologisch-symptoomstoornis) heeft een roemruchte geschiedenis in de geneeskunde en valt nu onder de somatisch-symptoomstoornis en aanverwante stoornissen in de DSM-5. Toegepaste behandelingen zijn o.a. fysiotherapie, psychotherapie, hypnotherapie en multidisciplinaire behandeling. Er is echter ook een groep patiënten te identificeren bij wie sprake is van een therapieresistente conversiestoornis. Bij deze groep patiënten lijkt behandeling de klachten soms juist steeds erger te maken: ze worden rolstoel- of bedgebonden, krijgen katheters of voedingssondes en ondanks dat er zeer ernstige klachten zijn, raken ze in tussen wal en schip en ontvangen soms uiteindelijk alleen nog zorg van de huisarts. Er ontstaat veel machteloosheid van zowel patiënt, systeem als vaak meerdere betrokken behandelaars. Niemand krijgt grip op patiënt. Dat leidt er mede toe dat er regelmatig gedacht wordt aan een nagebootste stoornis. Er zijn geen richtlijnen hoe om te gaan met deze groep patiënten met een (richtlijn)therapieresistente conversiestoornis. Toch is het belangrijk een kader te hebben hoe een geïntegreerde visie te houden op een patiënt die in beeld is bij verschillende hulpverleners. Kan de volwassenenzorg iets leren van AMBIT (Adolescent Mentalization Based Integrative Therapy)? Kan het maken van een ‘desintegratie raster’ helpen in situaties met hyper- en hypomentaliseren zoals die vaak voorkomen bij patiënten en hulpverleners rond een therapieresistente conversiestoornis?

In deze workshop zal de (wetenschappelijke) achtergrond geschetst worden van de historie en huidige behandelinzichten betreft de conversiestoornis. Vervolgens wordt casuïstiek besproken vóórbij geldende behandelrichtlijnen, waarbij steeds de vraag aan het publiek is wat hun overwegingen en beleid zou zijn en besproken of principes uit AMBIT hulpverleners geholpen hebben.

Vorm
Theorie: wetenschappelijke presentatie.
Praktijk: casuïstiek-bespreking van patiënten met een ernstige, therapieresistente conversiestoornis met participatie publiek, waarbij de steeds eerst de vraag aan het publiek is: ‘wat zou u nu doen?’ en vervolgens besproken wordt wat er gedaan is en of dat effectief was.

Leerdoelen
– Herkennen van groep patiënten met ernstige conversiestoornis
– Onderscheid maken tussen conversiestoornis en nagebootste stoornis
– Kennen evidence-based behandelingen conversiestoornis en beschreven interventies voor patiënten met ernstige, therapieresistente conversiestoornis
– Kennismaken met het AMBIT model, toegepast op hulpverleners
– Uitwisseling van ervaringen met interventies vóórbij de geldende richtlijnen

Literatuurverwijzing
– Spaans J, van der Horst H, Rosmalen J, van Rood Y, Visser S (redactie). Handboek Behandeling van somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten. LannooCampus, Tielt, 2017.
– Bevington D, Fuggle P, Fonagy P. Applying attachment theory to effective practice with hard-to-reach youth: the AMBIT approach. Attach Hum Dev. 2015;17(2):157-74
– van Dessel N, den Boeft M, van der Wouden JC, Kleinstauber M, Leone SS, Terluin B, et al. Non-pharmacological interventions for somatoform disorders and medically unexplained physical symptoms (MUPS) in adults. The Cochrane database of systematic reviews. 2014(11):CD011142.
– Stone J. Therapeutic sedation for functional (psychogenic) neurological symptoms. J Psychosom Res. 2014 Feb;76(2):165-8.
– Stone J. Neurologic approaches to hysteria, psychogenic and functional disorders from the late 19th century onwards. Handb Clin Neurol. 2016;139:25-36.
– Schönfeldt-Lecuona C, Lefaucheur JP, Lepping P, Liepert J, Connemann BJ, Sartorius A, Nowak DA, Gahr M.

Gegevens workshopleiders
Mirte Hulscher-Ruks1, Lineke Tak2
1Altrecht Psychosomatiek Eikenboom, ZEIST, Nederland
2Dimence, Dimence, DEVENTER, Nederland

 

11:05

WS 1.7 - “Voldoende verklaard”

Ernst van der Wijk en Sophia van der Knaap

De intensiteit van pijn wordt bepaald door de combinatie van de gevoeligheid van het zenuwstelsel enerzijds en veranderingen in het weefsel anderzijds. Beiden kunnen in kaart worden gebracht. Een toename van de gevoeligheid van het centrale zenuwstelsel, ‘centrale sensitisatie’, kan het gevolg zijn van verschillende biologische, psychologische en sociale factoren. Bij de zoektocht naar biologische factoren heeft de focus lang gelegen op botten en gewrichten. Er blijkt echter weinig verband te zijn tussen de afwijkingen zoals gezien op een röntgenfoto en de klachten van

de patiënt. Bij het chronisch worden van pijn lijkt een belangrijke rol weggelegd voor de nocisensoren; sensoren die mogelijk schadelijke veranderingen in het weefsel registreren. Nieuw wetenschappelijk onderzoek laat zien dat de meeste nocisensoren zich bevinden in het bindweefsel (fascia). Er zijn verschillende vormen van fascia-pathologie die van invloed zijn op de werking van de nocisensoren en daarmee op het blijven bestaan van pijn. Het herkennen van deze pathologie vraagt om een speciale manier van kijken en onderzoeken.

In deze workshop laten we zien hoe de factoren die bijdrage aan centrale sensitisatie alsmede de ‘issues in tissues’ eenvoudig in kaart kunnen worden gebracht. Dit praktische werkmodel kan de basis vormen voor een specifieke fysiotherapeutische behandeling van patiënten met SOLK. Daarnaast zullen er een aantal fasciale release technieken worden gedemonstreerd waarmee een patiënt zelf de fasciale structuren kan losmaken onafhankelijk van een behandelaar. Met deze techniek  kan eindeloos gevarieerd worden waardoor u deze altijd aan kan laten sluiten bij de specifieke mogelijkheden van uw patiënt.

Relevante Literatuur
-Affaitati G, Costantini R, Fabrizio A, Lapenna D, Tafuri E, Giamberardino MA. Effects of treatment of peripheral pain generators in fibromyalgia patients. Eur J Pain. 2011 Jan;15(1):61-9.
-Baron R, Hans G, Dickenson AH. Peripheral input and its importance for central sensitization. Ann Neurol. 2013 Nov;74(5):630-6. doi: 10.1002/ana.24017.
-Stecco A, Cesi M, Stecco C, Stern R (2013) Fascial components of the myofascial pain syndrome. Current Pain and Headache Reports 17:352.
-Wijk ER van der. De invloed van fascia op perifere nocisensoriek bij chronische pijn. Physios, nummer 4, dec 2014

Gegevens workshopleiders
Ernst van der Wijk is een fysiotherapeut met ruim 25 jaar ervaring in de pijnrevalidatie van het ErasusMC. In zijn zoektocht naar een efficiëntere behandelmethode voor mensen met chronische pijn is hij zich gaan verdiepen in de rol van fascia bij chronische pijn. Gefascineerd door de nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen op dit gebied heeft hij, samen met Alexander Kudus, het Fascia Integratie Therapie-concept ontwikkeld. Inmiddels zijn er honderden fysiotherapeuten in Nederland en buitenland getraind in deze methode. De opleiding is geaccrediteerd door KNGF en Keurmerk Fysiotherapie (www.fasciatherapie.fit).

Sophia van der Knaap is een master kinderfysiotherapeut die al ruim 10 jaar werkzaam is op de klinische kinder- en jongerenafdeling van Rijndam revalidatie te Rotterdam waar zij ook chronische pijn patiënten behandeld. Dat kinderen en jongeren hun pijn al op zo’n jonge leeftijd moesten aanvaarden, vond zij niet acceptabel. Innovatie en vernieuwing brachten haar daarom naar de wereld van de fasciale structuren. Naast Rijndam heeft zij haar eigen bedrijf ( www.sophiasflow.nl ) en geeft zij workshops en lessen op hogescholen en sportacademies. Sinds 2018 is zij actief betrokken bij de opleiding Fascia Integratie Therapie als docent.

 

11:05

WS 1.8 - Research track 1

Klik op > voor meer informatie over de mondelinge onderzoekspresentaties

RT1.8a 

Het effect van zelfcompassietraining op individuele dynamische netwerken bij patiënten met een somatisch-symptoomstoornis

J.H. Houtveen1, S. van Broeckhuysen1, M.J.M. Geenen2
1Altrecht, Zeist
2Universiteit Utrecht, Utrecht

Inleiding
De effecten van behandeling bij patiënten met een somatisch-symptoomstoornis (SSS) zijn bescheiden. Dit kan reflecteren dat SSS moeilijk te behandelen is, of dat traditionele, generieke, op gemiddelde waardes gebaseerde, uitkomstmaten onvoldoende in staat zijn relevante verandering in beeld te brengen. Intensief longitudinaal meten kan uitkomst bieden en aanwijzingen geven over dynamische oorzaak-gevolg relaties tussen emotie-regulatie en lichamelijke klachten. Verondersteld wordt dat verlaagde zelfcompassie in dergelijke dynamische netwerken een rol speelt.


Doel
Pilotonderzoek naar de effecten van een zelfcompassietraining op individuele dynamische netwerken bij patiënten met SSS.

Methode
Zes deelnemers met SSS hebben gedurende 4 maanden (baseline, training, follow-up) 3 keer per dag op hun telefoon korte gepersonaliseerde vragen beantwoord. Gemeten werden zelfcompassie, lichamelijke klachten, stress en emoties. Per patiënt is het effect van de training op de gemiddelde waardes en op individuele dynamische relaties in kaart gebracht via een statistische techniek genaamd ‘residual dynamic structural equation modeling’ (RDSEM).

Resultaten
Bij alle patiënten werden significante behandeleffecten gevonden op de gemiddelde waarden: hogere zelfcompassie, minder klachten, minder stress en minder negatieve emoties. De behandeleffecten varieerden echter van zeer groot tot zeer klein. De RDSEM-netwerken lieten individuele verschillen zien in het effect van de training op de dynamische samenhang tussen zelfcompassie, klachten, stress en emoties.

Conclusie
Zelfcompassietraining bij patiënten met SSS heeft effecten op het gemiddeld niveau van klachten, stress en emoties, maar met grote individuele verschillen. Individu-specifieke verandering in het RDSEM-netwerk levert aanvullende informatie op en kan verdiepend inzicht bieden in de behandeleffecten van zelfcompassietraining op een verstoorde emotieregulatie.

Referenties/relevante literatuur
Asparouhov, T, Hamaker, EL & Muthen, B (2017). Dynamic structural equation models. Structural Equation Modeling: A Multidisciplinary Journal. doi: 10.1080/10705511.2017.140680.
Dewsaran-van der Ven, C, van Broeckhuysen-Kloth, C, Thorsell, S, Scholten, R, De Gucht, V, Geenen, R (2018). Self-compassion in somatoform disorder. Psychiatry Research, 262:34-39. doi: 10.1016/j.psychres.2017.12.013.
Hamaker, EL & Wichers, M (2017). No Time Like the Present: Discovering the Hidden Dynamics in Intensive Longitudinal Data. Current Directions in Psychological Science, 26(1) 10–15.
Houtveen JH, Lipovsky MM, Kool M, Sorbi M, Bühring ME, van Broeckhuysen-Kloth S. The day-to-day concurrence of bodily complaints and affect in patients with severe somatoform disorder. Scand J Psychol. 2015 Oct;56(5):553-9. doi: 10.1111/sjop.12228.

 

RT1.8b 

Machine Learning? Niets voor mij!

P.M. van der Pol1, S.M. van Es2
1NETQ Healthcare, Utrecht
2PsyQ Parnassia Groep, Amsterdam

Introductie
Met de toename van computerpower en data stromen neemt Machine Learning een vlucht, al wordt dit nog zeer beperkt toegepast in de ggz. De huidige studie past machine learning toe om de behandelduur van patiënten met een somatisch symptoomstoornis (SSS) te voorspellen. Het maakt gebruik van bestaande data over het behandelproces en ROM-gegevens. De hypothese is dat gegevens gerelateerd aan het intakeproces met veel indirecte tijd voorspellend is voor een lange behandelduur.

Deze lezing beschrijft zowel het analyseproces als de (on)mogelijkheden vanuit het oogpunt van een onderzoekend zorgprofessional.

Methode
In totaal zijn 6287 behandelcontactrecords van patiënten met een SSS, eerste zorgtoewijzing sinds 1 jan 2014 en afgeronde intake op 15 April 2019 geïncludeerd. Dit betrof 1515 unieke patiënten, waarvan 913 inclusief ROM gegevens (tevredenheid (KKL/KLANT) en RAND-36 (26% missing). De uitkomstmaat is het totaal aantal geregistreerde behandelminuten in directe tijd, minus de directe tijd voor de intake.

Resultaten
“Traditionele” regressieanalyses laten zien dat het aantal adviesmomenten; dagen tussen intake en start van de behandeling; mentale gezondheid en fysiek functioneren de behandelduur voorspellen. Ten tijde van de abstract-deadline van NOLK zijn de resultaten van de machine learning predicties nog niet beschikbaar.

Discussie en conclusie
Machine learning voorspelt een uitkomst ‘as seen in the real world’ en dus geen causale verbanden. Toch kan het behandelaren assisteren door patiënten at high risk van een lange behandelduur te ‘vlaggen’. Daarnaast kunnen de voorspellers in het algoritme hypotheses genereren voor traditioneel onderzoek.

Referenties en literatuur
An Introduction to Statistical Learning With Applications in R, Gareth James et al., 8th printing, 2017

 

RT1.8c 

Overeenkomst tussen zelf beoordeelde gezondheid en belemmeringen en door de arts bepaalde functionele mogelijkheden in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling bij werknemers met en zonder SOLK

K.H.N. Weerdesteijn, F.G. Schaafsma, I. Louwerse, M.A. Huysmans, A.J. van der Beek, J.R. Anema
Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam

Inleiding
Bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling moeten artsen de belemmeringen die de werknemer ervaart beoordelen en omzetten naar functionele (arbeids) mogelijkheden. Werknemers met en zonder SOLK ervaren dezelfde belemmeringen. De belemmeringen van werknemers met SOLK worden echter niet of niet volledig verklaard uit het lichamelijk onderzoek en zij voelen zich vaak niet gehoord door artsen. In deze studie gaan we na in hoeverre artsen voor het bepalen van de functionele mogelijkheden varen op de belemmeringen zoals aangegeven door de werknemers en of dit in dezelfde mate het geval is voor werknemers met en zonder SOLK.

Methoden
Aan 44.379 werknemers die >84 weken ziek waren gemeld bij UWV werd middels een brief gevraagd of ze mee wilden doen aan de studie. Werknemers werden geïncludeerd als zij voldoende de Nederlandse taal machtig waren om vragenlijsten in te vullen en er tenminste sprake was van milde somatische klachten (PHQ-15 score ≥5). Van de benaderde werknemers hebben 2.040 werknemers (4,6%) deelgenomen aan de studie. Zij vulden thuis de Forward vragenlijst in, welke bestaat uit 200 open en gevalideerde vragen over de eigen ervaren gezondheid en belemmeringen. Daarna  kregen de werknemers een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling waarbij een arts de belemmeringen beoordeelde, de functionele mogelijkheden aangaf en een diagnose invulde. De arts was niet op de hoogte van deelname aan de studie. Uit de antwoorden van de gevalideerde vragen in de vragenlijst werden 11 sub scores berekend, de functionele mogelijkheden werden in 4 typen ingedeeld (mentaal, fysiek, autonomie en  hand en vinger vaardigheden) en op basis van de ingevulde diagnose werd bepaald of er sprake was van SOLK of niet-SOLK. Pearson correlaties werden berekend tussen de 4 typen van functionele mogelijkheden en de 11 sub scores van zelf beoordeelde gezondheid. Voor r ≥0,3 werd middels een regressie analyse beoordeeld of er een significant verschil was tussen de SOLK (n=363) en niet SOLK groep (n=1677).

Resultaten
Voor 2 typen van functionele mogelijkheden en 6 scores van zelf beoordeelde gezondheid vonden we een r ≥0,3. De correlaties waren lager voor werknemers met SOLK tussen de fysieke en mentale functionele mogelijkheden en de SF-36 fysieke (-0,49. 95% CI -0,56 tot -0,41) en SF-36 mentale (-0,30. 95% CI -0,39 tot -0,20) zelf beoordeelde gezondheid, dan voor deelnemers zonder SOLK (-0,60. 95% CI -0,62 tot -0,57) en (-0,40. 95% CI -0,44 tot -0,36).

Conclusie
Over het algemeen is er een middelmatige overeenkomst tussen de zelf beoordeelde gezondheid en de functionele mogelijkheden gesteld door een arts. Nader onderzoek is wenselijk om meer transparant te maken waar dit verschil op gebaseerd is. Een van deze factoren is mogelijk de onderliggende pathologie, aangezien in deze studie de overeenkomst lager is voor werknemers met SOLK, wat mogelijk aangeeft dat artsen meer varen op de zelf aangegeven gezondheid bij klachten die voldoende verklaard kunnen worden. Dit gevonden verschil kan mogelijk verklaren waarom patiënten met SOLK zich vaak minder gehoord voelen.

Referentie
Weerdesteijn KH, Schaafsma FG, Louwerse I, Huysmans M, van der Beek AJ, Anema JR.
Does self-perceived health correlate with physician-assessed functional limitations in medical work disability assessments? Ingediend bij Journal of Psychosomatic Research 2019.
https://doi.org/10.1016/j.jpsychores.2019.109792

12:10

Keynote 2: Acceptance & Commitment Therapy bij SOLK

Karlein Schreurs

Wie veel last heeft van vermoeidheidsklachten, zet doorgaans alles op alles om daarvan af te komen. Maar als er geen afdoende medische behandelingen meer zijn, wordt dit streven naar het onder controle krijgen van de vermoeidheid, juist het probleem waarin mensen vastlopen. Keer op keer wordt een andere arts geraadpleegd en is er hoop die weer de bodem wordt ingeslagen. Ondertussen nemen beperkingen vaak toe en komen de vermoeidheidsklachten centraal in het leven te staan. Acceptance & Commitment Therapy (ACT) biedt een uitweg uit dit dilemma: door aanvaarding van de status quo, met klachten en beperkingen, kan er weer ruimte komen voor dat wat het leven de moeite waard maakt. In de lezing wordt ingegaan op de theoretische achtergrond en het klinische model van ACT, op toepassing en effectiviteit van ACT bij SOLK.

Prof .dr. Karlein MG Schreurs is emeritus hoogleraar in diagnostiek en behandeling van chronische pijn en vermoeidheid bij de vakgroep Psychologie, Gezondheid & Technologie van de Universiteit Twente. Tot voor kort was ze ook als senior GZ-psycholoog betrokken bij de revalidatie van mensen met chronische pijn en vermoeidheid in Roessingh, centrum voor revalidatie. Momenteel geeft zij trainingen in ACT aan psychologen en multidisciplinaire teams.  www.kmgschreurstrainingen.nl

Literatuurreferenties, prof. dr. KMG Schreurs
Veehof, Martine, Schreurs, Karlein, Hulsbergen, Monique & Bohlmeijer, Ernst (2010). Leven met pijn. De kunst van het aanvaarden (5). Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Schreurs, Karlein & Hulsbergen, Monique (2011). Praktijkboek voor therapeuten bij Leven met pijn. Amsterdam: Uitgeverij Boom. E-boek. www.boompsychologie.nl
Schreurs, K.M.G. (2018). ACT bij chronische pijn. Tijdschrift voor Psychotherapie, 44, 46-57.
Schreurs, K.M.G., Timmers, I., Jong, J.de (2019). Psyhcologie bij pijn. In: J.A. Verbunt, J.L. Swaan, H.R. Schiphorst Preuper, K.M.G. Schreurs. (red) Handboek Pijnrevalidatie voor de eerste, tweede en derde lijn (pp. 199-207). Amsterdam: Boom.
Schreurs, K.M.G., Balen, B. van, Heuts, P.H.T.G. (2019). Acceptance and commitment therapy. In: J.A. Verbunt, J.L. Swaan, H.R. Schiphorst Preuper, K.M.G. Schreurs. (red) Handboek Pijnrevalidatie voor de eerste, tweede en derde lijn (pp. 208-217). Amsterdam: Boom.

 

13:00

Lunch, posters en informatiemarkt

Nolk ledenvergadering 13:05-13:35

14:00

SOLK Quiz

Lineke Tak & Birgit aan de Stegge

Workshopronde 2 (14:25-15:25)

14:25

WS 2.1 - Diagnostiek van ouderen met SOLK; gewoon of bijzonder?

Dorine van Driel en Peter Hilderink

Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) komen bij ouderen veel voor en gaan gepaard met een lagere kwaliteit van leven. Vergeleken met ouderen met verklaarde lichamelijke klachten is zowel het fysiek als het mentaal functioneren verminderd (Hanssen, Lucassen, Hilderink, Naarding & Oude Voshaar, 2016).

Gerapporteerde prevalentiecijfers van SOLK bij mensen ouder dan 65 jaar in de algemene populatie en in de eerste lijn variëren van 4,8 tot 18%. Deze prevalentiecijfers liggen lager dan bij jongvolwassenen. Men veronderstelt dat dit deels een artefact is, omdat met het toenemen van de leeftijd een lichamelijke oorzaak moeilijker is uit te sluiten, waardoor er minder klachten ‘onvoldoende verklaard’ blijven (Hilderink, Collard, Rosmalen & Oude Voshaar, 2013).

Oudere volwassenen waarbij klachten onvoldoende verklaard zijn, hebben baat bij gerichte diagnostiek en behandeling. Helaas zijn geen normeringsstudies van screenings-, diagnostische en monitoringsinstrumenten voorhanden (van Driel et al, 2018) Evenmin zijn er RCT’s naar de effectiviteit van de behandeling. Desondanks is de belangstelling voor ouderen met SOLK groeiende en wijzen de voorlopige onderzoeksbevindingen en ervaringen uit de praktijk erop dat met enkele leeftijdsspecifieke aanpassingen goede resultaten worden bereikt. We willen er dan ook voor pleiten dat behandeling van SOLK voor ouderen meer bereikbaar wordt.

In deze workshop bespreken we casuïstiek aan de hand van videomateriaal, screeningslijsten, waaronder de ziektecognitielijst- en gevolgenmodellen. Samen willen we antwoorden vinden op de vraag: Diagnostiek en behandeling van ouderen met SOLK; gewoon of bijzonder?

Literatuur
-Driel, D., van, Hilderink, P., van, Hanssen, D. J., de Boer, P., de, Rosmalen, J., & Oude Voshaar (2018). Assessment of somatization and medically unexplained symptoms in later life. Assessment,
-Driel, D., van, Hanssen, D., Hilderink, P., Naarding, P., Lucassen, P., Rosmalen, J., & Oude Voshaar, R. (2016). Illness cognitions in later life: Development and validation of the Extended Illness Cognition Questionnaire (ICQ-plus).Psychological Assessment, 28, (9), 1119-1127.
-Hanssen, D.J., Lucassen, P.L., Hilderink, P.H., Naarding, P., & Oude Voshaar, R.C. (2016). Health-Related Quality of Life in Older Persons with Medically Unexplained Symptoms. American Journal of Geriatric Psychiatry, 24, 117-1127.
-Hilderink, P.H., Collard, R., Rosmalen, J.G.M., & Oude Voshaar, R.C., (2013). Prevalence of somatoform disorders and medically unexplained symptoms in old age populations in comparison with younger age groups: A systematic review. Aging Research Reviews, 12, 151-156.

Gegevens workshopleiders
Dr. Peter Hilderink, ouderenpsychiater werkzaam bij SeniorBeter, Gendt en Centrum Lichaam Geest en Gezondheid, Breburg
Drs Dorine van Driel, klinisch psycholoog werkzaam bij SeniorBeter, docent voor de GZ en KP opleiding en promovenda Universiteit Groningen.

 

14:25

WS 2.2 - Conversie, Makkelijker kunnen we het niet maken, wel leuker

Hendriëtte van Loo-Flier, Dorien Leenders en Nora van der Heide

Een cliënt (acteur) met psychogene niet epileptische aanvallen (PNEA). Waar schrikken we van? En is dat nodig?
De conversiestoornis of ‘functioneel neurologische stoornis’ zoals het in de DSM 5 wordt benoemd roept vaak aarzelingen op bij behandelaren. Want hoe weet je nu zeker dat het niet toch gaat om een neurologische aandoening? En als die aanvallen, tremors of  verlammingen zo op de voorgrond staan, waar kun je dan op ingrijpen met een behandeling? Wat zegt de wetenschappelijke literatuur? Is hypnose de aangewezen behandelvorm? Of CGT? En staan de cliënten eigenlijk wel open voor een  psychologische benadering? Juist door de vaak zeer expliciete symptomen, heeft de functioneel neurologische stoornis  een forse impact op de cliënt en zijn systeem. Maar het heeft ook een forse impact op de behandelaar: twijfels over de aandoening, simulatie, aanvallen in de wacht/behandelruimte en de impact daarvan op omstanders.  Dat alles kan leiden tot een aarzeling over te gaan op een behandeling van een cliënt met een conversiestoornis. Behandelaren zijn vaak bang voor het ontregelende karakter van deze klachten en voelen zich onvoldoende bekend met deze problematiek.
Maar zou zo’n behandeling ook ‘makkelijker’ kunnen zijn dan we denken?  Zouden we niet met onze eigen oude en vertrouwde cognitieve gedragstherapeutische interventies kunnen komen tot een goed en gepersonaliseerd behandelplan?

In deze workshop hopen wij u, met behulp van een acteur (speelt een jongvolwassen cliënt), mee te nemen in de dynamiek  van de behandeling van een conversiestoornis.  Het leerdoel van de workshop is het verkrijgen van concrete handvatten voor het opstellen en uitvoeren van een (cognitief gedragstherapeutische) behandeling bij een functioneel-neurologische stoornis en het integreren van de bijbehorende dynamiek in de praktijk.  Met behulp van de acteur gaan we met elkaar op een interactieve manier aan de slag met het toepassen van de bekende cognitief gedragstherapeutische analyses bij een conversiestoornis. Tevens  hopen we u te kunnen laten zien dat met deze analyses  een goed behandelplan opgezet kan worden.  We hopen dat u, na het volgen van deze workshop, zelf aan de slag durft te gaan met de behandeling van deze stoornis.  Deze cliëntengroep heeft meer behandelaren nodig!

Relevante Literatuur
-Goldstein, L.H (2010). Cognitive-behavioral therapy for psychogenic nonepileptic seizures. Neurology: 74, 1986-1994.
-Leenders D. & Loo-Flier H. (2013). De behandeling van een adolescent met psychogene niet epileptische aanvallen. Dth, 4, 362-370.
-Stone, J. Carson, A., Hallett, M  (2016). Explanation as treatment for functional neurological disorders. Handbook of Clinical Neurology, Vol. 139 (3rd series) Functional Neurological  Disorders, 543-553.

Gegevens workshopleiders
Hendriëtte van Loo-Flier, GZ-psycholoog, supervisor VGCt. Werkzaam bij Stichting Epilepsie Instellingen Nederland en gedetacheerd naar PsyQ Zwolle in het kader van conversiebehandelingen.

Dorien Leenders, GZ-psycholoog, cognitief gedragstherapeut VGCt. Werkzaam bij Stichting Epilepsie Instellingen Nederland en gedetacheerd naar PsyQ Zwolle in het kader van conversiebehandelingen.

Nora van der Heide, trainingsacteur, Aaneen. Voorheen werkzaam als onder andere GZ-psycholoog en staffunctionaris binnen het speciaal onderwijs.

 

14:25

WS 2.3 - Herstelondersteunende zorg

Wil Buis en Laxmie Jawalapershad

Het perspectief van de patiënt wordt steeds belangrijker in de somatische en geestelijke gezondheidszorg. Hierbij past gedeelde besluitvorming, positieve gezondheid als uitgangspunt, zoveel mogelijk eigen regie en zelfmanagement en de inzet van ervaringsdeskundigen. Het bieden van herstelondersteunende zorg sluit hierop aan.

Het Netwerk Kwaliteitsondersteuning GGZ heeft generieke modules en zorgstaandaarden uitgebracht die gebaseerd zijn op wat mensen met psychische klachten en hun naasten belangrijk vinden als het gaat om de kwaliteit van zorg. De generieke module ‘Herstelondersteuning’ (2017) is een van deze standaarden voor goede zorg. Deze is ook voor SOLK-patiënten zeer relevant.

Deze workshop heeft als doel behandelaars vertrouwd te maken met herstelondersteunende zorg en met de generieke module ‘Herstelondersteuning’.

Herstelondersteunende zorg is ontwikkeld en bepleit door ervaringsdeskundigen. Met herstel wordt hierbij gedoeld op het leiden van een betekenisvol leven, ook als symptomen, beperkingen of kwetsbaarheid blijven bestaan. Veel ervaringsdeskundigen zeggen dat de vertaling van hun verhaal, ervaringen en klachten naar een psychiatrische diagnose eerder belemmerend dan bevorderend was voor hun herstel. Bij herstelondersteuning staat niet de diagnose, maar de mens in zijn omgeving centraal. Er is aandacht voor symptomatisch, maatschappelijk en persoonlijk herstel.

Behandelaars die herstelondersteunende zorg bieden ervaren dit doorgaans als een verbetering van de kwaliteit van zorg en een verrijking van hun werk. De samenwerking tussen professionals als deskundigen vanuit hun vakgebied met patiënten die deskundig zijn vanuit hun eigen ervaring biedt een hoopgevend perspectief.

Deze workshop wordt gegeven door leden van de werkgroep ‘Samenwerken met patiënten met chronische lichamelijke klachten’ van het NOLK die in 2018 is gestart.

Workshopvorm: een inleiding op het onderwerp van Laxmie Jawalapershad vanuit het perspectief van de ervaringswerker en een inleiding van Wil Buis vanuit het perspectief van de professional. Daarna oefenen in kleine groepen, gevolgd door een plenaire terugkoppeling van ervaringen en take-home messages.

Leerdoelen: Deelnemers krijgen de mogelijkheid

  • informatie op te doen over wat herstelondersteunende zorg is en waarom het van belang is.
  • zicht te krijgen op wat verandert in de aanpak vergeleken met de traditionele manier van werken.
  • te ervaren hoe verrijkend deze manier van werken is.

Literatuur
-Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGZ (2017), Generieke module Herstelondersteuning,
www.ggzstandaarden.nl/uploads/side_products/d0ab2b5ac13a4972e806020259d70a1b.pdf
-GGZ Nederland (2013) Herstelspecial,www.ggznederland.nl/uploads/assets/asset_948983.pdf
-Davidson, L., Drake R. e.a. (2009). Oil and water or oil and vinegar? Evidence-based medicine meets recovery. Community Ment Health J 45, 323-332.
-Anthony, W. (2004). The Principle of Personhood: The Field’s Transcendent Principle. Psychiatric Rehabilitation J 27, 205.

Workshopleiders
Mw. dr. Wil Buis, psychiater, Buis en Brugman Psychiatrisch Advies, Den Bosch
Mw. Laxmie Jawalapershad, ervaringswerker Somatische Symptoomstoornissen, Parnassia Groep, Den Haag.

14:25

WS 2.4 - SOLK systeemdynamiek in beeld

Pie van Kan en Jackie Scharroo

Het Behandelcentrum SOLK van het CWZ heeft een grote SOLK dagbehandeling, die is gericht op ernstige tot zeer ernstige SOLK. Er is veel aandacht voor de interpersoonlijke dynamiek. In de groepstherapeutische psychotherapieblokken worden de zich herhalende, belastende relatiepatronen in kaart gebracht en op grond hiervan wordt een behandelfocus geformuleerd en worden interventies geselecteerd.

In de interpersoonlijke SOLK dynamiek valt op dat de betrokkenen elkaar steeds weer pijnlijk raken en vanuit die pijn op elkaar reageren. Op het moment dat de partner, de ouders of het gezin bij de behandeling worden betrokken, kijken we door diezelfde bril van zich herhalende relatiepatronen. Daarbij zien we vaak hoe onveilige en vermijdende hechtingsstijlen zich binnen de partnerrelatie herhalen. Met alle pijnlijke en destructieve gevolgen van dien.

Onderliggend is er altijd het verlangen naar aandacht, emotionele verbondenheid en oprechte belangstelling (veilige hechting): Als de ander beschikbaar en betrouwbaar is, zal het gevoel van veiligheid toenemen. Dan zullen de partners beter in staat zijn om te gaan met stressvolle gebeurtenissen.

In deze workshop tonen we u in een rollenspel de typische SOLK dynamiek tussen twee partners. We nodigen u uit om deze partners van alles te vragen om het probleem te verduidelijken en om de mogelijkheden en sterke kanten van beide partners te gaan zien. Heeft u het systeem in beeld, dan oefent u in kleine groepjes met het formuleren van de systemische behandelfocus.

Werkgroepleiders

Dhr. Pie van Kan, systeemtherapeut Behandelcentrum SOLK, CWZ Nijmegen.
Mw. dr. Jackie Scharroo, Klinisch Psycholoog Behandelcentrum SOLK, CWZ Nijmegen.

 

14:25

WS 2.5 - De rol van dramatherapie in de behandeling van patiënten met langdurig en ernstige SOLK problematiek

Bart Thoolen en Heleen Hennink

De behandeling van patiënten met matig tot ernstige SOLK problematiek vraagt om een multidisciplinaire behandeling waarin artsen, therapeuten en patiënt intensief samenwerken om de instandhoudende factoren te identificeren en waar mogeljk deze op te heffen. Volgens de GGZ richtlijnen is CGT tot nu toe het meest evidence based vorm van therapie. Echter, voor sommige patiënten verloopt een dergelijke “praat-therapie” moeizaam, vanwege weerstand, vanwege onvermogen en/of gebrek aan zelfinzicht.  De instandhoudende factoren worden gaandeweg wel erkend, maar de veranderbaarheid kan dan nog ver te zoeken zijn. Dit is zeker het geval bij patiënten met langdurige en ernstige problematiek, waarbij lichamelijke klachten, gevolgen en identiteit inmiddels sterk verweven zijn. Vaktherapiëen kunnen dan een waardevolle toevoeging zijn in de behandeling van SOLK problematiek, omdat hier niet het praten centraal staat, maar eerder het ervaren en het handelen. Het Gelre ziekenhuis heeft daarom een intensieve multidisciplinaire behandeling opgezet voor patiënten met matig tot ernstige SOLK problematiek, waarin de vaktherapieen een belangrijke positie in nemen. De dramatherapie is ons inziens een belangrijke toevoeging aan het behandelaanbod, omdat juist in deze therapievorm thema’s zoals communicatie, grenzen stellen en algehele interpersoonlijk functioneren aan bod komen. Patiënten worden bewuster van hoe hun eigen gedrag de ander beïnvloedt en vice versa. Ook kunnen zij via rollenspelen oefenen met nieuwe vormen van interpersoonlijk gedrag.

Wat biedt deze workshop dramatherapie: In deze workshop wordt de kans geboden kennis te maken met dramatherapie en hoe deze een nuttige bijdrage kan leveren aan een SOLK behandeling. Specifiek zal de dramatherapeute op interactieve wijze tonen hoe de Roos van Leary wordt ingezet om patiënten bewust te maken van hun interpersoonlijke reactiepatronen en hoe zij hun repertoire uit kunnen breiden middels op maat gesneden rollenspellen, die patiënten zelf bedenken en regisseren.  Wij verwachten een bereidheid tot meespelen en discussiëren.

Deelnemen aan de workshop: Maximaal 15 á 20 deelnemers

Gegevens workshopleiders
Dhr. Dr. Bart Thoolen, klinisch psycholoog, (groeps-)
Mw. Heleen Hennink, dramatherapeute

Beide werkzaam in Gelre ziekenhuizen, locatie Apeldoorn en actief in het deeltijdprogramma SOLK

 

14:25

WS 2.6 - Gebruik van INTERMED bij complexe somatisch-symptoomstoornissen SOLK

Tracy van Ham, Gabriela Sempértegui en Audrey van Vugt

Het werken met volwassenen met somatisch symptoomstoornissen (SSS) kan heel complex zijn en vragen om een multidisciplinaire aanpak. De complexiteit kan nog worden verhoogd doordat er sprake is van somatische en psychiatrische co-morbiditeit(van Eck van der Sluijs et al., 2016; van Eck van der Sluijs et al., 2017). Het in kaart brengen van de co-morbide stoornissen en bijkomende problemen vanuit verschillende disciplines vormt een grote uitdaging.  De INTERMED is een instrument waarmee zorgcomplexiteit kan worden vastgesteld. Het is een methode die uitgaat van de biopsychosociale benadering voor het stellen van een diagnose en de behandeling van patiënten. De behoeften van de patiënt worden geordend op vier domeinen: biologisch, psychologisch, sociaal en de relatie met de gezondheidszorg.  Deze domeinen worden gescoord op een tijd-as: voorgeschiedenis, huidige toestand en prognose. Dit instrument geeft de gebieden weer waar de verschillende disciplines zich op kunnen richten in diagnostiek en behandeling (de Jonge et al., 2005). Daarnaast biedt INTERMED ook aanknopingspunten om in gesprek te gaan met onze patiënten en faciliteert het de communicatie tussen de disciplines (van Eck van der Sluijs et al., 2017).

In deze workshop introduceren we het instrument INTERMED en lichten toe hoe dit gebruikt kan worden om grip op de complexiteit te krijgen. Daarna wordt aan de hand van een casus geoefend met het instrument. Vervolgens geven drie disciplines binnen het Topklinisch Centrum voor Lichaam, Geest en Gezondheid,  de senior- verpleegkundige, de psycholoog en de klinisch geriater, hun individuele en gezamenlijke visie op de casus. Hierna nodigen we iedereen in de zaal uit om te reageren en praktijkervaringen met ons te delen om de toepassing van INTERMED bij patiënten met complexe somatisch-symptoomstoornissen te verbeteren. Na deze workshop kunt u met INTERMED werken en weet u hoe u de complexe problematiek van uw patiënten in beeld kunt te krijgen en hoe dit als uitgangspunt kan dienen voor behandeling binnen een multidisciplinair team.

Referenties
-De Jonge, P. Huyse, F. J., Slaets, J.P., Sollner W., Stiefel, F.C. (2005). Operationalization of biopsychosocial case complexity in general health care: The INTERMED project. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry. 39 (9), 795-799. doi.org/10.1016/j.mcna.2006.04.005.
-Van Eck van der Sluijs, J. F., Ten Have, M., Rijnders, C. A., van Marwijk, H. W., de Graaf, R., & van der Feltz-Cornelis, C. M. (2016). Mental health care use in medically unexplained and explained physical symptoms: findings from a general population study. Neuropsychiatric disease and treatment, 12, 2063-72. doi:10.2147/NDT.S109504
– Van Eck van der Sluijs, J.F., de Vroege, L., van Manen, A.S., Rijnders, C.A.Th, van der Feltz-Cornelis, C.M. (2017). Complexity Assessed by the INTERMED in patients with somatic symptom disorder visiting a specialized outpatient mental health care setting: a cross-sectional Study. Psychosomatics, 58(4), 427-436. doi.org/10.1016/j.psym.2017.02.008

Workshopleiders
– Tracy van Ham, senior verpleegkundige, GGZ Breburg Topklinisch Centrum voor Lichaam, Geest en Gezondheid, meer dan 25 jaar ervaring in het werken met SOLK patiënten.
– Gabriela Sempértegui, GZ-Psycholoog, GGZ Breburg Topklinisch Centrum voor Lichaam, Geest en Gezondheid, promovenda.
– Audrey van Vugt, klinisch geriater, GGZ Breburg Topklinisch Centrum voor Lichaam, Geest en Gezondheid, opleider klinische geriatrie bij GGZ Breburg.

 

14:25

WS 2.8 - Research track 2

Klik op > voor meer informatie over de mondelinge onderzoekspresentaties

RT2.8a 

Centrale sensitisatie in onderzoek naar chronische pijn en somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten: een systematische review
C. den Boer1, L. Dries1, B. Terluin1, J.C. van der Wouden1, A.H. Blankenstein1, C.P. van Wilgen2, P. Lucassen3, H.E. van der Horst1
1Amsterdam UMC, lokatie VUmc, Amsterdam
2Transcare Groningen, Pain in motion, Vrije Universiteit Brussel
3Radboud UMC, Nijmegen

Introductie
Centrale sensitisatie (CS) is een mechanisme wat een verklaring kan bieden voor het in stand houden van klachten. Bij het geven van uitleg aan patiënten met chronische pijn wordt dit verklaringsmodel veel gebruikt. Er wordt verondersteld dat CS ook een belangrijke rol speelt bij het in stand houden van somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK). Echter, de definities en operationalisaties van CS variëren. We voerden een systematische review uit naar definities, operationalisaties en meetinstrumenten van CS.

Methodes
We zochten in PubMed, EMBASE, PsycINFO, Cinahl en The Cochrane Library tot september 2017 en includeerden artikelen met CS in relatie tot chronische pijn en/of SOLK als onderwerp. Twee reviewers selecteerden, analyseerden en classificeerden informatie uit de geselecteerde artikelen, onafhankelijk van elkaar. We voerden een thematische analyse uit van de definities en operationalisaties. We maakten een overzicht van de meetinstrumenten.

Resultaten
We includeerden 126 publicaties, 79 publicaties betroffen chronische pijn, 47 publicaties betroffen SOLK. In de definities van SOLK was een vast thema verhoogde prikkelbaarheid van het centrale zenuwstelsel. Aanvullende thema’s waren wisselend aanwezig: specifieke locaties van het centrale zenuwstelsel, de aard van de sensorische input, verminderde reductie van prikkels en modulatie van de NMDA receptor. Hyperalgesie en allodynie werden veel genoemd als operationalisaties van CS. Kwantitatieve sensorische testen en (functionele)MRI zijn de meest genoemde meetinstrumenten.

Conclusies
Er is consensus dat verhoogde prikkelbaarheid het centrale mechanisme is van CS. Operationalisaties zijn gebaseerd op dit mechanisme en op aanvullende componenten. Er zijn veel verschillende meetinstrumenten voor CS beschikbaar, waarvan de klinische waarde nog moet worden vastgesteld. Er zijn geen systematische verschillen in definities en operationalisaties in de publicaties die over SOLK en over chronische pijn gingen.

Referentie: C. den Boer, L. Dries, B. Terluin, J.C. van der Wouden, A. H. Blankenstein, C. P. van Wilgen, P. Lucassen, H. E. van der Horst, Central sensitization in chronic pain and medically unexplained symptom research: A systematic review of definitions, operationalizations and measurement instruments, J. Psychosom. Res. 117(2 (2019))  32-40

 

RT2.8b 

Instrumenten om centrale sensitisatie in de huisartsenpraktijk te meten: een Delphi-procedure
C. den Boer, B. Terluin, J.C. van der Wouden, A.H. Blankenstein, H.E. van der Horst
Amsterdam UMC, lokatie VUmc, Amsterdam

Introductie
Er is veel onderzoek gedaan naar centrale sensitisatie (CS) in relatie tot somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) zoals fibromyalgie (FM), chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), prikkelbaar darm syndroom (PDS) en chronische pijn. Er bestaat geen gouden standaard om CS aan te tonen. Veel onderzoekers hebben gesuggereerd dat specifieke klachten en syndromen gerelateerd zijn aan CS, of hebben geconcludeerd dat bepaalde testen die het somatosensorische zenuwstelsel in kaart brengen (kwantitatief sensorisch testen of quantitative sensory testing) CS impliceren. CS zou één van de neurofysiologische mechanismes zijn die ten grondslag liggen aan bovengenoemde symptomen.

We hebben in onze recent gepubliceerde systematische review een overzicht gemaakt van meetinstrumenten die gebruikt worden om CS te meten. Met onze Delphi procedure wilden we vaststellen welke van deze meetinstrumenten geschikt zouden zijn om te gebruiken in de huisartsenpraktijk.

Methodes
We organiseerden een Delphi-procedure om consensus onder experts te verkrijgen. De procedure bestond uit twee email-rondes, de deelnemers waren huisartsen, specialisten en andere experts met onderzoeks- en/of praktijkervaring met SOLK en chronische pijn. We hebben 40 nationale en internationale experts uitgenodigd, 27 namen deel. Voor de eerste ronde selecteerden we 12 instrumenten uit onze systematische review en voegden er later nog drie aan toe op advies van de panelleden. De panelleden moesten de tests beoordelen op technische uitvoerbaarheid in de huisartsenpraktijk en hun toegevoegde waarde en moesten een eindoordeel geven. De drempelwaarde voor in- of exclusie was 70% overeenstemming.

Resultaten
Na twee rondes werd overeenstemming bereikt over 13 van de 15 meetinstrumenten. Twee instrumenten werden geïncludeerd, elf geëxcludeerd. De geïncludeerde meetinstrumenten zijn de Central Sensitization Inventory (CSI) en testen met drukmetingen: drempelwaardes voor het herkennen van druk op de huid (pressure pain thresholds) en waardes voor het verdragen van druk op de huid (pressure tolerance thresholds). Voor twee meetinstrumenten werd er geen consensus bereikt: de monofilamenten scoorden 69% positief, de Sensory Hypersensitivity Scale 52% positief. We besloten de monofilamenten toe te voegen als derde meetinstrument om uit te gaan testen in de huisartsenpraktijk.

Conclusie
Na een consensusprocedure met een internationaal expert panel werden drie instrumenten voor het meten van CS geselecteerd om verder uitgetest te worden in de huisartsenpraktijk: de Central Sensitization Inventory (CSI), testen met drukmetingen en monofilamenten.

 

RT2.8c 

Eerstelijns, multidisciplinair, lichaamsgericht groepsaanbod voor mensen met SOLK in een lage SES wijk

C.A.H. de Jong
Hogeschool Utrecht, Utrecht

inleiding
Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten vormen een groot probleem in de eerstelijns zorg, met name in achterstandswijken. Ondanks een enorme toename aan therapeutische mogelijkheden voor SOLK blijven de resultaten hiervan matig.[1] In een lage SES wijk in Haarlem is met een recent ontwikkeld eerstelijns groepsaanbod voor mensen met SOLK ingespeeld op de vermeende behoefte aan een meer somatische benadering.[2,3] Doel van deze studie is een evaluatie van de haalbaarheid en de resultaten van dit programma.

methode
114 patiënten zijn gescreend op ernstige psychiatrie met de 4DKL en uitgenodigd om te participeren in een pragmatische trial. Primaire en secundaire uitkomstmaten waren de RAND12 en het percentage van de persoonlijk geformuleerde doelen.[4] Daarnaast werd de ervaring van het programma kwalitatief gemeten middels een schriftelijk half-open interview.

Resultaten
69 deelnemers completeerden de cursus, verdeeld over 12 achtereenvolgende groepen. Na de interventie verbeterde de fysieke component van de RAND12 van 31.1 naar 39.8 (p<0,000) en de mentale component van 36.8 naar 44.6 (p<0.000). De deelnemers naderden hun persoonlijke doelen met 19.8% (p<0.000) en na 3 maanden follow up nog eens met 17.3 % (p<0.000). Patiënten scoorden hun tevredenheid over de cursus gemiddeld met een 8.1/10.

Discussie/conclusie
Persoonlijke doelen lijken als therapeutisch middel en tevens eindmaat behulpzaam. Gesuggereerd wordt om zowel de specifieke invloed van het baseline niveau van de gezondheidsvaardigheden als van de fysieke oefeningen op het resultaat mee te nemen in een gecontroleerde studie.

[1] van Dessel N, den Boeft M, van der Wouden JC, Kleinstäuber M, Leone SS, Terluin B, Numans ME, van der Horst HE, van Marwijk H. Non-pharmacological interventions for somatoform disorders and medically unexplained physical symptoms (MUPS) in adults. Cochrane Database of Systematic Reviews 2014, Issue 11. Art. No.: CD011142. DOI: 10.1002/14651858.CD011142.pub2
[2] Klemm S, van Broeckhuysen S, van Vliet S, Oosterhuis L, Geenen R. Personalized treatment outcomes in patients with somatoform disorder: a concept mapping study. Journal of Psychosomatic Research, 2018, volume 109:19-24.
[3] Thorn BE, Day MA, John Burns J, Kuhajda MC, Gaskins SW, Sweeney K, McConley R, Ward LC, Cabbil C. Randomized trial of group cognitive-behavioral therapy compared to a pain education control for low literacy rural people with chronic pain. Pain. 2011 December ; 152(12): 2710–2720. doi:10.1016/j.pain.2011.07.007.
[4] Stevens A, Köke A, van der Weijden T, Beurskens A. Ready for goal setting? Process evaluation of a patient-specific goal-setting method in physiotherapy. BMC Health Serv Res. 2017 Aug 31;17(1):618. doi: 10.1186/s12913-017-2557-9. PMID: 28859652 Free

15:25

Pauze, posters en infomarkt

15:55

Keynote 3: Voorbij lichaam en geest

Jenny Slatman

In mijn presentatie wil ik ingaan op hoe we het fenomeen van somatisch onvoldoende verklaarde klachten (SOLK) kunnen begrijpen vanuit een filosofisch-antropologisch perspectief. SOLK, zo zal ik betogen, ontstaan binnen een manier van verklaren en redeneren waarin het lichaam enkel als een object of een ding wordt opgevat. Deze manier van denken is eigen aan ons hedendaagse westerse denken, waarbij we uitgaan van een strikt onderscheid tussen lichaam en geest. Allereerst zal ik laten zien dat dit onderscheid, dat wij zo makkelijk maken in onze manier van spreken, een onderscheid is dat conceptueel van alle kanten rammelt en dat door de meeste filosofen dan ook allang ten grave is gedragen. Diverse filosofen (maar ook antropologen, cognitiewetenschappers) hebben dit onderscheid vervangen door het idee van “lichamelijkheid”. In mijn lezing zal ik uitleggen wat dit idee behelst en hoe het ons kan helpen om anders over SOLK na te denken. Wanneer somatische klachten bekeken worden vanuit het perspectief van lichamelijkheid dan zijn ze eigenlijk altijd goed te duiden.

Jenny Slatman is hoogleraar Medical Humanities aan Tilburg University. Zij studeerde fysiotherapie (Deventer) en filosofie (Amsterdam, Parijs). In haar onderzoek houdt zij zich bezig met de betekenis van lichamelijkheid in expressie, kunst en gezondheidszorg. Zij publiceerde diverse boeken waaronder: L’expression au-delà de la représentation. Sur l’aisthêsis et l’esthétique chez Merleau-Ponty (Paris, 2003) en Vreemd lichaam (Amsterdam 2008). In 2010 ontving Slatman een NWO VIDI beurs voor haar project Bodily Integrity in Blemished Bodies. In 2017 ontving Slatman een NWO VICI beurs voor haar project Mind the Body: Rethinking embodiment in healthcare. www.jennyslatman.nl; www.mindthebody.eu

Referenties:
Slatman, J. (2008, 2012). Vreemd Lichaam. Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit. Amsterdam, Ambo
Slatman, J. (2013). Lichamelijkheid in medische praktijken. Verschillende betekenissen van ‘het lichaam’. In M. Schermer, M. Boenink & G. Meynen (Eds). Komt een filosoof bij de dokter. Amsterdam: Boom: 49- 62
Slatman, J. (2018). Reclaiming embodiment in medically unexplained symptoms. In K. Aho (ed.). Existential Medicine: Essays on Health and Illness. Rowman & Littlefield, p. 101-114
Slatman, J. (2018). De geest voorbij: Geesteswetenschappelijke reflecties op gezondheidszorg. Waardenwerk, No. 73: 84-98 (Tekst van oratie)
Slatman, J. & Flipse A. (2019). Lichaamsbeelden in de gezondheidszorg. In: Pieterse, T. & Widdershoven, G. (red.). Basisboek Filosofie en Geschiedenis van de Gezondheidszorg. Amsterdam: Boom: 199-218

16:45

Prijsuitreiking NOLK-prijs, Posterprijs en Onderzoekspresentatieprijs

16:55

Afsluiting dagvoorzitter

17:00

Borrel